Alternatieve strafuitvoeringsmodaliteiten
Naar een performante organisatie van werkstraffen en andere alternatieve strafuitvoeringsmodaliteiten
Naast de vrijheidsberoving als straf bestaan er in ons rechtsbestel nog andere vormen van bestraffing en bestaan er alternatieve maatregelen. Sommige daarvan zijn gericht op het voorkomen van de vervolging of van de bestraffing (bemiddeling in strafzaken, vrijheid onder voorwaarden, enz.).
Een belangrijke nieuwe vorm van alternatieve bestraffing is de autonome werkstraf. Deze heeft in april 2002 haar intrede gedaan in de Belgische wetgeving. Het aantal dossiers van de justitiehuizen steeg van 556 werkstraffen in 2002 naar 9.568 in 2007.
In de beleidsnota 2008 hebben we een maximale toepassing van de autonome werkstraf bepleit. Praktische moeilijkheden die zijn gebleken, moeten worden uitgesloten. Zo onderzocht inmiddels een universitair team het juridisch statuut van de werkgestrafte op het stuk van welzijn op het werk. Het team kwam tot de conclusie dat de aan de werkstraf verbonden financiële kosten ten laste zijn van de werkgever, zijnde de prestatieplaats. In de loop van 2009 werken we daarom voor deze problematiek een duidelijke regeling uit.
De bestaande lokale overlegmomenten tussen de directeurs van de justitiehuizen en de diverse opdrachtgevers en de overlegmomenten tussen de directeur-generaal en opdrachtgevers werden juridisch ingebed in koninklijke besluiten, die op 17 oktober 2008 zijn gepubliceerd. Allemaal samen leidt dit tot een kwaliteitsvol, rechtszeker en rechtsgelijk beleid.
We zullen een oriëntatienota presenteren, die de organisatie en de plaatsing voor de werkstraffen en leermaatregelen stroomlijnt. Zo kunnen we werkgestraften een stabiel aanbod van prestatieplaatsen garanderen dat zoveel mogelijk aansluiting vindt bij de reguliere begeleiding- en behandelingcentra.
We zullen de communicatie tussen de lokale coördinatoren van de alternatieve maatregelen, de centrale administratie van het Directoraat-generaal Justitiehuizen en de betrokken actoren op het terrein ondersteunen.
Ook het subsidiesysteem wordt herdacht: hier streven we naar een uniform, transparant en modern subsidiesysteem.
Deze nieuwe vorm van subsidiëring zal evenwel moeten worden uitgewerkt in samenhang met de andere vormen van alternatieve maatregelen en in overleg met de bevoegde ministers, met de FOD’s van de federale overheden (waar de werkplaatsen die de FOD Binnenlandse Zaken en het Ministerie van Landsverdediging aanbieden maximaal benut worden), de lokale overheden en de diensten van de gemeenschappen. De beschikbare financiële middelen zijn beperkt. Daarom moeten we nagaan op welke manier we cumulatieve financiering uit de weg kunnen gaan en synergieën in de hand kunnen werken door middel van samenwerkingsakkoorden.
Een andere manier om strafvervolging te vermijden, vinden we terug in de bemiddeling doorheen de strafrechtsketen. We willen doorheen de strafrechtsketen een bovenstructuur creëren door middel van nieuw op te richten bijzondere commissies. We overwegen om minstens al de in de wet voorziene subcommissie “deontologie” te implementeren, aangevuld met een subcommissie die de betrokken actoren sensibiliseert en ze vorming geeft.