Justitie. Menselijk en rechtvaardig.

De begeleiding en de behandeling van daders van seksueel misbruik

SDC-fauteuil.jpg

Evaluatie van de  samenwerkingsakkoorden tussen de Federale Staat enerzijds en de Vlaamse Gemeenschap, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest anderzijds inzake de begeleiding en de behandeling van daders van seksueel misbruik.

De samenwerkingsakkoorden met de Vlaamse Gemeenschap en met het Waals Gewest werden getekend op 8 oktober 1998. Zij zijn in werking getreden op 21 september 1999, zijnde 10 dagen na de publicatie in het Belgisch Staatsblad. Dat met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is in werking getreden op 2 februari 2001.

Deze samenwerkingsakkoorden beoogden inzonderheid de toepassing van de wet van 13 april 1995 betreffende het seksueel misbruik ten aanzien van minderjarigen. Voor elke beslissing tot voorwaardelijke invrijheidstelling van een veroordeelde of vrijstelling op proef van een geïnterneerde vereiste deze wet een advies van een dienst die gespecialiseerd is in de psychologische begeleiding of behandeling van daders van seksueel misbruik. De wet legde eveneens, na de voorwaardelijke invrijheidstelling van een veroordeelde, een psychosociale begeleiding of behandeling op.

Deze wettelijke bepalingen zijn ingeschreven in de wet van 5 maart 1998 betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling en tot wijziging van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en gewoontemisdadigers, vervangen door de wet van 1 juli 1964.
Inmiddels werd de wet betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling vervangen door de wet op de externe rechtspositie van 17 mei 2006 en zal binnen afzienbare tijd de nieuwe wet op de internering van 21 april 2007 in werking treden.
De wettelijke context van de samenwerkingsakkoorden is sinds de ondertekening dus grondig veranderd.

De gewijzigde juridische context brengt met zich mee dat de samenwerkingsakkoorden toe zijn aan een evaluatie, ook al omdat de residentiële behandelingen tot hiertoe uitgesloten zijn van het toepassingsveld van deze akkoorden.

De voornaamste punten zijn de volgende:

- de samenwerkingsakkoorden moeten aangepast worden aan de evolutie van de wetgeving en aan de praktijk van de problematiek van de daders van misdrijven van seksuele aard

- de kwaliteit van het overleg tussen de steuncentra, de gespecialiseerde behandelingsteams en de 3 begeleidingscomités van de samenwerkingsakkoorden op nationaal vlak moet verbeterd worden

- de andere partners zoals de justitiehuizen, de psychosociale diensten van de gevangenissen en de strafuitvoeringsrechtbanken moeten actiever betrokken worden in het overleg

- het aanbod van specifieke zorgen moet uitgebreid worden, waarbij de voorkeur wordt gegeven aan een aanpak onder de vorm van multidisciplinaire begeleiding of behandeling. Aan de andere kant moet onderzocht worden of het aantal deskundigen niet moet vergroot worden en of niet een specifieke procedure en een set van criteria moet worden uitgewerkt waaraan deze deskundigen moeten voldoen om aan de specialiteitvereiste te beantwoorden

- magistraten moeten beter worden ingelicht over de bepalingen van de samenwerkingsakkoorden en de opdrachten van de steuncentra (UFC, CAB, UPPL)

- de verzameling van de gegevens door de verschillende actoren van de samenwerkingsakkoorden en hun wetenschappelijke evaluatie moet worden uitgebreid om het beeld van het fenomeen te verbeteren

Historiek en stand van zaken

- Op 20 april 2009 werd door de Minister van Justitie opdracht gegeven aan de Dienst voor Strafrechtelijk Beleid een evaluatieonderzoek uit te voeren met betrekking tot de toepassing van deze samenwerkingsakkoorden

- Op 26 februari 2010 werd een eerste tussentijds rapport neergelegd, houdende een literatuurstudie

- Op 1 april 2010 werd tussentijds gerapporteerd aan de beleidscel en werd een definitieve vragenlijst voor de bevraging van de diverse actoren van het werkveld overgemaakt

- Eindverslag en aanbevelingen worden verwacht tegen september 2010