Justitie. Menselijk en rechtvaardig.

"Justitie verder vernieuwen" Studiedag Leuven 10 juni 2010 ‘Perspectieven op de gerechtelijke hervorming’

“Justitie verder vernieuwen”

Nauwelijks een jaar geleden - op 26 mei 2009 - was ik hier om samen met velen van u de evaluatie te maken van een decennium justitiële hervormingen in België. “Octopus revisited!”

Maar ook om samen met U naar de toekomst te kijken. Stilstaan is immers achteruitgaan.

 U kreeg toen de primeur van de krachtlijnen uit wat later de oriëntatienota over “Het gerechtelijk landschap: naar een nieuwe architectuur voor Justitie” zou worden.

Tegelijk deelde ik u mee dat ik nog twee andere visienota’s voorbereidde: één over de strafuitvoering en één over de informatisering van Justitie.

Samen vormden ze de drie pijlers van de justitiehervorming.

Deze hervormingen zijn bedoeld om Justitie te geven wat Justitie toekomt: een slagvaardige, moderne organisatie met voldoende en bekwame mensen en middelen die optimaal worden ingezet.

Deze hervormingen zijn evenzeer bedoeld om de mensen en de samenleving te geven wat hen toekomt: een toegankelijke, betaalbare, vertrouwenwekkende en snelle oplossing van conflicten, gekoppeld aan een correcte  bestraffing van misdrijven.

*   *   *

Als we de media- en campagnetaal van de afgelopen weken moeten geloven, zou dit alles bij woorden zijn gebleven.

 De afgelopen legislatuur zou niets zijn gebeurd of verwezenlijkt.

Conclusie: nog maar eens een gemiste kans!

Ik vind deze conclusie onrechtvaardig ten aanzien van academische wereld, de administratie, de actoren van justitie en – ja ook – ten aanzien van de politiek.

Als we het over de hertekening van het landschap hebben, gaat men er aan voorbij dat binnen een termijn van amper 6 maand na de lancering van de oriëntatienota in oktober 2009 belangrijke stappen zijn gezet en veel elementen een stevig draagvlak hebben bekomen.

 Dan denk ik onder meer aan:

  • de wetenschappelijk analyse en beoordeling, waarvan de academische equipe u hier vandaag de resultaten voorstelt;
  • het politiek debat in het kader van het  Atomiumoverleg;
  • de sterke en coherente input vanwege de justitie-actoren;
  • het politiek akkoord van eind maart 2010, gevalideerd in een synthesetekst op 21 april 2010; dit was overigens ook het  laatste akkoord van deze regering.

 Het is ‘bon ton’ om dit alles af te doen als irrelevant.

 Maar eigenlijk – en dat zal u misschien verrassen - ben ik verheugd.

Want in alle verkiezingsprogramma’s – slechts één uitgezonderd – is telkens weer een stevig hoofdstuk te vinden met voorstellen over wat de noodzakelijke modernisering van Justitie dan wel moet inhouden.

En telkens is dit gebaseerd op voorstellen die zonder uitzondering terug te vinden zijn in – jawel – het politieke akkoord van 21 april 2010.

 Dit geeft hopelijk aan – zo wens ik althans - dat het vele werk van de afgelopen jaren - door de politiek, door de actoren en door academici - niet verloren zal gaan.

Dat stemt mij - en wellicht ook u -  juist gelukkig, want het zou betekenen dat we inderdaad de grondvesten hebben gelegd voor de grootste hertekening van het gerechtelijk landschap in vele decennia. En dat de krachtlijnen van het politieke akkoord inzake het gerechtelijke landschap waarover uiteindelijk nog steeds een grote consensus blijft bestaan, in Vlaanderen én bij Franstaligen, op korte termijn in uitvoering worden gebracht.

*   *   *

Wat zijn onze grote ambities in het nieuwe landschap ?

Een Justitie die kwaliteit biedt

 Dit betekent dat recht wordt gesproken door bekwame magistraten met kennis van zaken en dat we die magistraten nog meer gaan werven op basis van hun competenties via functieprofielen.

Kwaliteit betekent ook dat we de specialisatie van magistraten versterken door moeilijke en complexe zaken doorheen het land samen te brengen bij hypergespecialiseerde afdelingen. We moeten de expertise van magistraten maximaal benutten via een versterkte mobiliteit binnen de eigen materies en uitwisselingsmogelijkheden met andere rechtscolleges.

We zullen binnen de rechtbanken verwante materies ook beter moeten groeperen, bijvoorbeeld door familiezaken die thans verspreid zijn bij de vrederechters, jeugdrechters en de rechtbanken van eerste aanleg, samen te brengen in één familierechtbank.

 Een Justitie die eenvoudiger georganiseerd is

 Dit betekent in eerste instantie dat we van 27 naar maximaal 16 gerechtelijke arrondissementen  gaan.

Daarbij zorgen we ervoor dat bepaalde rechtbanken voldoende schaal hebben om performant te werken. Dit kan bijvoorbeeld door van 23 naar 5 arbeidsrechtbanken en van 21 naar 5 rechtbanken van koophandel te gaan, telkens één per rechtsgebied van het hof.

Uiteraard garanderen we de rechtszoekende dat alle plaatsen waar nu recht wordt gesproken behouden blijven via de oprichting van lokale zittingsplaatsen en antennes.

Een Justitie die in betere omstandigheden werkt

 We opteren voor een nieuw beheersmodel binnen Justitie.

Het is gebaseerd op principes van integraal management, waarbij de rechtscolleges en parketten eigen werkingsenveloppes krijgen, die via beheersovereenkomsten vastgelegd worden; ze zijn gekoppeld aan te behalen doelstellingen inzake kwaliteit, doorlooptijd van procedures en efficiëntie.

In het verlengde daarvan willen we dat de korpschefs voor hun beheerstaken managementopleidingen krijgen en via decentralisatie vanuit de FOD Justitie de beschikking krijgen over een professionele beheersdienst met experts inzake personeelsbeleid, budget, ICT en logistiek.

 Een Justitie die zich permanent evalueert

 Sinds Octopus is een mandatensysteem voor korpschefs ingevoerd, werd het College van procureurs-generaal belast met de kwaliteitszorg binnen het parket en fungeert de Hoge Raad voor de Justitie als instantie gelast met de externe controle op de werking van de rechterlijke organisatie.

 Het is hoog tijd dat nu ook voor de Zetel een College voor de hoven en rechtbanken wordt opgericht dat als aanspreekpunt geldt en de interne kwaliteit mee aanstuurt.

 Het is eveneens hoog tijd dat we de verdeling en de inzet van de middelen kunnen koppelen aan gepaste meet- werklast, monitoring en beheersinstrumenten. Tegelijk moeten we de bestaande externe controle versterken, ondermeer via een herwaardering van de externe controlerol van de Hoge Raad en de organisatie van een financieel toezicht door het Rekenhof.

 Een Justitie tenslotte die borg staat voor integriteit

Octopus heeft een evaluatiesysteem voor magistraten ingevoerd en het tuchtrecht herzien door oprichting van een Nationale tuchtraad. Verder vernieuwen betekent dat het tuchtrecht performanter en objectiever wordt door oprichting van een volwaardige tuchtrechtbank die met voldoende afstand en expertise de tuchtzaken behandelt.

Op die manier kan gepast en snel kan opgetreden worden tegen falende magistraten.

Eén en ander impliceert dat we moeten beschikkende over performanter evaluatiesystemen die ook gelden voor alle korpschefs, ook deze van de Zetel.

*   *   *

 In de oriëntatienota en tijdens de vele debatten daarover, zijn telkens twee belangrijke voorwaarden naar voren geschoven die de “conditiones sine qua non” vormen om tot een dergelijke hervorming te komen.

 

U kent ze even goed als ik:

§         de realisatie van een objectieve werklastmeting

§         de informatisering van Justitie

 

En ook op deze punten is belangrijk werk verricht.

*   *   *

Allereerst de werklastmeting.

Ook dat is een punt dat in alle partijprogramma’s expliciet aan de orde is en dus de facto verworven is.

Sta me toe om nogmaals de opzet ervan duidelijk te stellen:

Het gaat hierbij niet om de meting van de werklast van de individuele magistraat, maar wel om de meting van de globale werklast van een rechtscollege of parket met als dubbel doel:

§         een objectieve raming van de personeelsbehoeften

§         een uniformisering van werkprocessen

 

En het is ook geen “natte vingerwerk” opgelegd door “Brussel” zoals sommigen poneren.

De werklastmetingen berusten wel degelijk op wetenschappelijke studies en methodes; ze worden gerealiseerd door de magistratuur zelf – het College van procureurs-generaal voor het Openbaar Ministerie en de uitgebreide Vaste Vergadering van korpschefs van de Zetel voor de staande magistratuur -  en dit in zeer nauw overleg en met sterke betrokkenheid van het terrein.

Het Openbaar Ministerie staat daarin ongetwijfeld het verst.

Reeds begonnen in de jaren negentig heeft het College van procureurs-generaal en zijn Secretariaat – met bijstand van externe partners – reeds meer dan 80 % van de werklast gemeten.

Nog dit jaar wordt het correctionele luik bij de rechtbanken van eerste aanleg afgewerkt, waarna men wil starten met de jeugdzaken en arbeidsauditoraten.

Het College van procureurs-generaal koppelt hieraan de vraag om hiervoor personele versterking te krijgen.

Het is een vraag waar ik graag op wil ingaan en waarvoor ik op het volgende College een concreet voorstel zal doen,

hoewel mijn bewegingsvrijheid ingevolge de lopende zaken fel beperkt is.

Voor wat betreft de Zetel wordt hard - zeer hard – gewerkt om dit op korte termijn te realiseren.

Zoals U weet heeft mijn voorganger Jo Vandeurzen op 4 juni 2008 een eerste protocol afgesloten met de Uitgebreide Vaste Vergadering van de korpschefs van de Zetel.

Hiertoe werd in haar schoot een Vast Bureau voor werklastmeting en statistiek opgericht dat bestaft werd met ambtenaren van de FOD Justitie.

In een eerste fase is dit vast bureau deskundig en dynamisch aangestuurd door Lola Boeykens, thans eerste voorzitter van het Arbeidshof te Antwerpen; nu zet  Eric Beaucourt het project even deskundig en dynamisch verder.

Bedoeling is dat we nog dit jaar kunnen beschikken over de eerste resultaten van werklastmeting voor alle hoven van beroep om meteen daarna over te stappen naar de arbeidsrechtbanken.

Sedert enkele maanden is een tweede protocol in onderhandeling.

In dat kader is door sommige betrokken partijen een debat gestart over de wetenschappelijkheid van de gevolgde methode.

In dat verband kan ik U aankondigen dat we hierover kortelings het advies zullen vragen aan de wetenschappelijke equipe van de KUL en de Ulg die de haalbaarheidsstudie omtrent de werklastmeting in 2007 heeft opgesteld, zodat elke twijfel over de correctheid van de methodiek wordt weggenomen.

Maar tezelfdertijd roep ik de Zetel op om mee in te staan voor volle medewerking van iedereen om te komen tot een voldoende draagvlak en vertrouwen.

*   *   *

Naast de werklastmeting, is de informatisering de tweede belangrijke voorwaarde om de hervorming van het landschap te realiseren.

En hoewel geen visienota over de informatisering officieel naar buiten is  gebracht – daar zit de val van de regering ook weer voor iets tussen - , is op het terrein des te harder gewerkt aan de verdere vernieuwing.

Justitie opteert resoluut voor een hoogtechnische en hoogtechnologische e-justice.

De uitdagingen waren als gevolg van de huidige achterstand, gebrekkige werking, pluriforme soft- en hardware en een mislukt Phenixplan immens.

We moeten volgehouden investeringen voeren conform een uniform en gestructureerd stappenplan dat op zijn beurt gebaseerd is op businessanalyses, een duidelijk policybeleid, een sterke vormings- en opleidingsstrategie en projectmatige aanpak. 

Dit stappenplan gaat uit van

  • de invoering van uniforme en gestandaardiseerde applicaties,
  • een integrale benadering waarbij zowel de hardware, software, vorming, werkprocessen,... samen betrokken worden,
  • samenwerkingsverbanden met andere overheden en diensten
  • en een grote aandacht voor veiligheid en beveiliging.

We mogen daarbij niet uit het oog verliezen dat de laatste 30 jaar ICT in alle grote organisaties de “driver” is geweest van de modernisering, van de groei naar meer efficiëntie.

Na een eerste start heeft Justitie door vele mislukkingen deze trein gemist.

We hebben in deze legislatuur de inhaalbeweging op gang gebracht, met als tijdshorizon om tegen 2013 weg te komen uit de huidige zorgwekkende toestand en om tegen 2020 de internationale benchmarks te halen.

We kunnen deze doelstelling halen, maar dan niet door van bovenuit alles op te leggen zoals bij het mislukte Phenixplan, maar door een aantal grote concrete projecten die direct voelbaar zijn op het terrein.

Daarbij denk ik aan:

  • de uniformisering van de softwareomgeving (windows 7-Office 2010 als basis),
  • een versnelde en gecoördineerde investering in de infrastructuur (netwerken, pc’s, servers, datacenters,..),
  • een versnelde uitrol van Cheops, dat reeds werkt in de vrederechten (de eerste en grootste fase van Cheops) en thans is opgestart in de politierechtbanken en de politieparketten (de tweede en derde fase)
  • een verdere uitbouw en modernisering van databanken (centraal register burgerlijke stand, beslagberichten databank, databank strafregister en haar afgeleide databanken, databank experten, vertalers-tolken…).

In het nieuwe systeem baseren we ons op een veralgemeend gebruik van elektronische documenten en dossiers. En de lijst gestarte projecten hieromtrent is toch wel consistent:

 

  • videoconferentie (waarvan het pilootproject zeer positief is geëvalueerd maar waarvoor we het wetgevend kader moeten aanpassen om een ruimer gebruik in strafzaken toe te laten);
  • Justscan,  dat een succes is geworden in de 5 pilootsites en waarvoor de onderhandelingen lopen voor een veralgemening over alle sites;
  • het beheer van gerechtskosten (waar we het proefproject hebben geëvalueerd om, na bijsturing tot een nationale implementatie te komen);
  • het e- expeditieloket dat de elektronische poort moet worden tussen de griffies en de partners van Justitie in de brede betekenis;
  • het project “laptops voor de magistraten”, dat ondermeer de toegang van thuis uit voor alle magistraten eindelijk realiseert en waarvan ik deze week de eerste mocht afleveren. Tegen eind dit jaar zullen alle magistraten voorzien zijn van zijn van deze noodzakelijke toegangsmogelijkheid tot het netwerk van Justitie;
  • het pilootproject dat we opstarten in Charleroi dat de elektronische toegang van op afstand tot het onderzoeksdossier mogelijk maakt. De inzage in het dossier zal dan vanuit de gevangenis kunnen gebeuren zonder dat nog een transport van de gevangene noodzakelijk is. Samen met de toepassing van de videoconferentie in strafdossiers, zal dit de risicovolle, tijdrovende en dure transporten van gedetineerden weliswaar niet doen verdwijnen maar wel in hoge mate terugdringen.

De lijst van opgestarte initiatieven, van projecten in volle uitvoering (zoals bv één hedendaags mailsysteem in plaats van de 5 volledig verouderde systemen), is nog veel langer, maar we mogen niet vergeten dat het ganse ICT gebeuren in essentie een middel is, een operationeel en logistiek gegeven dat, om peformant te kunnen zijn, ook moet ingebed worden in een aangepast organisatorisch kader. Een kader zoals uitgetekend in het gerechtelijke landschap.

En daarmee is de cirkel weer rond.

*   *   *

U zal toestaan dat ik – ondanks het ontslag van de regering – ook melding maak van enkele nieuwe opportuniteiten, die ook samengaan met de wijze waarop we in de toekomst met conflicten binnen Justitie willen omgaan.

Zo moet nog meer werk gemaakt worden van een conflictbehandeling, op maat van het geschil, met de ontwikkeling van een eigen “oplossingscultuur”.

Het is en blijft het mijn wens dat in het kader van de hertekening van het gerechtelijke landschap binnen de rechtscolleges een structurele plaats wordt gegeven aan de alternatieve vormen van geschillenbeslechting.  

Dit kan door oprichting van een bemiddelingsafdeling binnen elke rechtbank, waarin speciaal daartoe gevormde magistraten zetelen, desgevallend bijgestaan door bemiddelingsexperten onder de vorm van lekenrechters.

Maar ook door invoering van een bemiddelingsloket dat partijen automatisch informeert over de bemiddelingsmogelijkheden die hen ter beschikking staan.

Zo is het ook mijn overtuiging dat het traditionele model van recht spreken waarbij de magistraat, bijgestaan door een griffier en in het beste geval een jurist-referendaris, alleen of met twee collega’s zaken berecht, op termijn niet houdbaar is voor alle zaken.

De aard en complexiteit van bepaalde “hypergespecialiseerde” zaken en de professionalisering en specialisering van de partijen en de advocatuur werken dit mee in de hand.  

Als voorbeeld hiervan vernoem ik dat het Hof van Beroep van Brussel exclusief voor het ganse land bevoegd in belangrijke Europees rechterlijke materies, zoals het beroep tegen beslissingen van marktregulatoren zoals de Raad voor de mededinging, de CREG, de BIPT, de CFBA. Die geschillen worden thans behandeld door 1 tweetalige kamer in het Hof met drie magistraten. Dit is in compleet onevenwicht met de structuren en omkadering van de marktregulatoren die de beslissing in een eerste aanleg nemen én met de omkadering van de betrokken partijen.

Sommigen pleiten er voor deze zaken uit Justitie weg te halen.

Ik ben daar geen voorstander van, want dit zou een ontlopen zijn van de echte uitdaging, namelijk Justitie wapenen om deze materies professioneel te behandelen.

Daarom pleit ik er voor om bij dergelijke maatschappelijk belangrijke “hyperspecialisaties” te voorzien in een versterking van de omkadering van de magistraten met multidisciplinaire teams van juristen, fiscalisten, economisten en andere experten.

Dit zou kunnen door detachering van gespecialiseerde ambtenaren naar de rechterlijke macht, of door de aanwerving van hoger en anders gekwalificeerd personeel bij Justitie, naar aanleiding van  de nakende vergrijzingsgolf binnen de magistratuur en het gerechtspersoneel.

Het hof van beroep van Brussel kan hier een interessante testcase zijn!

*   *   *

Lopende zaken of niet, Justitie heeft het keerpuntgenomen en moet verder vooruit.

De bouwstenen liggen voor, het juridisch kader, met inbegrip van de verklaring tot herziening van de grondwet, is voorbereid.

Ik wil bij deze gelegenheid dan ook allen danken die bijgedragen hebben tot het nemen van het keerpunt in de hervorming van justitie. Academici, actoren, politici.

Er is een visie en een dynamiek.

Laat deze dynamiek niet meer stilvallen.

Of om de organisatoren van de studiedag van toen en nu even te citeren:

“Het momentum om een grote hervorming te realiseren is aanwezig. De noodzaak voor een politieke consensus die deze hervorming succesvol kan initiëren, en achteraf implementeren, is actueel. Buitenlandse ervaringen hebben aangetoond dat hervormingen kunnen leiden tot een betere kwaliteit van de rechtspraak en de strafvordering en tot meer prestatiegerichte rechterlijke organisaties, in het belang van de burger en de maatschappij. Of zoals de Amerikaanse president het recent verwoordde: men krijgt maar één keer in een generatie de kans om een grote hervorming te realiseren.”

Ik dank u.

Stefaan De Clerck

Minister van Justitie